| In dertien dagen naar Rome |
|
Zondag, 23 mei 2010 Een experiment: naar Rome ben ik al eerder geweest, over de weg, door de lucht en ook te voet. Maar niet eerder heb ik een groep wandelaars begeleid. 't Is afwachten hoe het bevalt en of ik een beetje een behoorlijke gids blijk te zijn. We maken kennis op Schiphol. Eén groepslid, Will, is zijn koffer kwijt; samen met Ellen, de reisleidster, wordt hij een klein half uur ondervraagd in een kamertje ter zijde van bagageband nummer 12. Inmiddels komen twee dames aanzienlijk later aanlopen dan verwacht: ze zijn verdwaald, buiten de douane terecht gekomen, en moesten opnieuw door de paspoortcontrole, om terug te keren bij hun bagage; die hebben wij (de koffers van de groep zijn herkenbaar aan een sticker van SNP) inmiddels al van de band gehaald. Ellen komt terug, de ongelukkige Will zit nog in het kamertje zijn koffer te beschrijven. Er blijken nóg twee mannen vermist. Ellen belt. Ook zij blijken verdwaald en buiten terecht gekomen. Ze weten niet wat ze moeten doen. Ellen probeert ze via de telefoon een routebeschrijving te geven. Na tien minuten komt er één opdagen, de ander wordt nog tegengehouden door de douane. "Dan gaan we nu allemaal naar buiten," zegt Will. Ik spreek hem tegen: "Nee, hoor, we blijven hier wachten." Ellen vertrekt en komt na een tien minuten terug met de tweede vermiste. Nu zijn we compleet. Het is tegen enen. He oponthoud heeft alles bij elkaar een uurtje in beslag genomen. We worden opgewacht door de chauffeur van een groot soort Fiat-busje. In vier uur (inclusief een half uur in een wegrestaurant -bij de gratie van de chauffeur, die eigenlijk liever doorrijdt- om een eerste Italiaanse pasta en een eerste echte koffie te genieten) worden we naar Siena gebracht We rijden dwars door de oude stad, tegen de richting van het verkeer door de oude winkelstraten, en op plekken waar je helemaal niet mag rijden. Eindelijk, omstreeks vijf uur, schrijven we in bij Albergo Canon d'Oro. Siena is beter te verdragen in mei dan in juli. Het is druk, maar op een draaglijk niveau. Ik slenter nog wat door de oude stad, langs de Dom en over het Campo-plein, en daarna nog door de straatjes in de buurt van het hotel. Ellen en ik bestuderen de route van morgen. Twee jaar geleden was het deze etappe die ik begon met Carry en eindigde in mij eentje, 28 kilometer verder en acht uur later in Buonconvento; de volgende dag had ik opeens een onbekende pijn in mijn rechtervoet. Morgen doen we het rustig aan: we lopen tot Lucignano d'Arbia, twintig kilometer, in mijn herinnering tamelijk vlak. En heel erg warm is het nog niet.
Maandag, 24 mei 2010 Herinnering, dat is ook weer zo iets. Ik weet nog veel, ik weet nog heel veel. Ik herken de porta di Roma waardoorheen we Siena verlaten omstreeks kwart voor negen, twee uur later bijna dan twee jaar geleden, maar toen werd het in het algemeen ook al tussen acht en negen erg warm. We staan 's ochtends aan het ontbijt te wachten tot iedereen er is. Op het laatste moment kondigt Will aan dat hij nog even een kop koffie gaat halen; hij verdwijnt in een bar. Even later steekt hij zijn hoofd om de deur en zwaait. "Ik ben hier, hoor." "Kom je zo ook weer hier," roep ik terug. In de groep zie ik twee dames met nordic-walking stokken. Ongeveer de helft van de mensen draagt een korte broek, de meeste benen zijn nog ongemakkelijk bleek. Will voegt zich bij de groep. We lopen Siena uit en direct na d poort dalen we af naar links, het land in. Glooiend asfalt door een grazig landschap met verre uitzichten precies zoals ik me herinner. Na een kort stukje langs de via Cassia vervolgen we onze weg over een via sterrata en verderop over graspaden. Veel in de open zon, weinig beschutting van bomen; omstreeks elf uur begint het warm te worden. Er vormen zich groepjes. Twee dames en een man lopen achteraan, drie heren formeren een kopgroep. We rusten in de Bar Ristorante Il Pino, waar ik ook heb gezeten met Carry. Dan steken we door naar achteren, onder de spoorlijn door: dit is nieuw, want met Carry kwam ik niet verder dan Ponte a Tresso. Ik herken delen van de route en besef nu ook waar ik indertijd afslagen heb gemist en fout ben gelopen. We vermijden Monteroni d'Arbia en lopen parallel aan de spoorlijn naar het zuiden. Links van ons, westwaarts, doemt een burcht op, Lucignano d'Arbia. We steken door het land, passeren de spoorlijn, waar je niet mag oversteken, en komen in het hotel in een allerliefst dorpje. Er zitten twee mannen en vrouwen bij de put voor zich uit te kijken. Zoals een groepje oude mannetjes in Asterix in Corsica.
Dinsdag 25 mei 2010 Lange tocht langs de spoorlijn, langs Ponte d'Arbia, waar ik de weg vraag, naar Buonconvento. Mooi landschap om ons heen, open in de zon die nog wel draaglijk is. We komen in Bonconvento, na 13 km.. Ik herken de kiosk op het pleintje tegenover het hotel waar ik twee`jaar geleden overnacht heb. Daar drinken we koffie bij bar Moderno, in de schaduw. Er wordt lang gebeld vanwege de koffer van Will, die nog niet terecht is. Na een uur gaan we verder- inmiddels ook al boodschappen gedaan. We komen niet goed op gang, zoals in het eerste deel van de wandeling. We gaan het land in; Elisabeth is bezig met het verwisselen van de doppen van haar stokken. We zoeken het pad, maar missen de goede route. Na een uurtje zoeken we een plek om te lunchen, bij het vertrek is er een korte discussie met Elisabeth, die nog niet klaar is en verwacht dat we wachten tot zij kan vertrekken. Ellen geeft het teken en dan zet de groep zich in beweging. Elisabeth volgt na enige tijd op ruime afstand. Later geeft ze te kennen dat ze erg ontevreden is dat we zomaar zijn vertrokken zonder op haar te wachten; dat was immers in het geheel niet nodig. Ze meent dat immers geen haast hebben! Waarom dan zo doorjagen. Langzaam trekt de groep tegen de heuvel op. Het vervolg is zwaar- we dwalen door het land, over gravelpaden en door het gras, door een wijnakker, waar Ad met zijn rechterbeen ver wegzakt en zich verwondt; ik zak er vervolgens ook in. In de verte ligt al de hele tijd Montalcino, we lopen er helemaal omheen. De route was aangegeven voor 24 km. Maar als we eindelijk een beetje op een duidelijk pad komen (na de weg gevraagd te hebben aan een groep Koerdische wijnarbeiders in Italiaanse dienst) hebben we al 30 km. gelopen. Dicht bij de weg splitsen we de groep. Vier gaan er mee met een auto die hen komt ophalen van Montalcino. De andere negen lopen door naar het dorp. Zeer sterke stijging, tot waarschijnlijk wel 20% En dan is daar opeens de poort, de porta Brunella (van de gelijknamige bijzondere rode wijn). Het hotel is iets verderop aan de linkerkant, een bijzonder chique gebeuren. Grote kamer en dito prijs.
Woensdag 26 mei 2010 Vanmorgen in de prachtige eetzaal (vanaf het terras is er een indrukwekkend uitzicht over het dal tot aan Siena, dat we in de verte menen te zien liggen) zitten aan een tafeltje naast mij vier bleke frisse meisjes, every inch American, stijve raffia hoedjes en splinternieuwe wandelstokken. We doen boodschappen in het dorp (alleszins de moeite waard van een bezoek - misschien niet de moeite van de omweg) en zoeken naar de juiste weg. Na een kilometer of twee komen we uit op een iets drukkere asfaltweg. Nog weer een dikke kilometer verder steken we het land in en vanaf dat moment zien we nog maar nauwelijks een verharde weg. Aan het eind van een niet al te steile klim en een lange daling komen we uit bij de Premonstratenzer abdij Sant'Antimo, Architectuur uit de twaalfde eeuw. We meenden dat we de abdij gisteren al zouden passeren, maar dat blijkt dus een misverstand te zijn geweest. Er wordt een dienst gehouden door een Duitse groep met mooie zang. Wonderlijke gebeeldhouwde kapitelen, en grappige figuurtjes boven en terzijde van de portalen en in de gevel. Het lijkt of het portaal er later wat slordig is aangeplakt. Vanaf Sant'Antimo volgen we een klein locale weg tot het begin van het dorp dat bij de abdij hoort, waar we pauzeren met koffie. De ober probeert ons ook wat crostata en dolci te verkopen. We bestellen dankbaar abrikozen- en appeltaart. Elisabeth probeert onopgemerkt een broodje te eten. De weg gaat na enkele honderden meters over in een gravelpad en nog verder graspaden en paden langs droge rivierbeddingen. Prachtige uitzichten en dorpjes op heuvels, overal bloemen om ons heen, veel klaprozen en steeds het zware parfum van bloeiende brem. Maar het duurt lang, het pad is slecht bewegwijzerd en moeilijk te vinden. Op een kruising kijken we langdurig op de kaart. Ellen geeft aan dat we links af moeten, maar Will vertrouwt het niet en loopt een eind de andere kant op. Hij is al spoedig te ver om nog te achterhalen; ik probeer hem te bellen, maar hij heeft zijn mobiel uitgezet. We wachten tot hij tenslotte uit zichzelf terugkomt. Na een laatste afdaling bereiken we het Middeleeuwse badplaatsje Bagno Vignoni, ongeveer vijf kilometer van onze eindbestemming San Quirico d'Orcia. We worden daarheen gebracht met twee busjes van SNP. Tot mij teleurstelling logeren we niet in het stadje maar in een ressort in een buitenwijk. Maar de accommodatie is wel bijzonder goed en de mensen van het hotel zijn, zoals steeds, erg vriendelijk. Het is laat, inmiddels, net als gisteren blijft er weinig tijd over vóór het eten.
Donderdag 27 mei 2010 De 83e verjaardag van mijn oude vader. Ik bel hem bij de eerste pauze op weg van Bagno Vignoni naar Radicofani, op het terras waar ik twee jaar geleden moed verzamelde om aan de tocht door een "verrukkelijke eenzaamheid," zoals mijn wandelgidsje het formuleerde, te beginnen. De route naar Radicofani herinner ik me goed, dacht ik. Maar het geheugen is een eigenzinnige reisgenoot. Binnen twee jaar is de gehele route in mijn herinnering ingedikt tot een stukje onverhard pad gevolgd door een zeer stille asfaltweg. Ik herinner me een bouwvallig kapelletje, met daarin een gebed ontleend aan de heilige Franciscus, tot in detail. Ik herinner me het gebarsten asfalt van het achterafweggetje precies. Daar heb ik gerust tegen een boom en een foto van mijzelf gemaakt. Maar de rest van de etappe (asfalt, drukte, auto's) is gewist. Boven in Radicofani aangekomen loop ik zonder aarzelen het centrum in en vind op de tast het dorpsplein, met kerk, parkje en bar-trattoria. Ik weet ook nog dat je er tramezzini kon kopen, en dat alles klopt. Albergo la Torre is in twee jaar tijd niets veranderd. Dezelfde man en vrouw ontvangen ons. Alleen zijn ze nu, voor de aankomst van die groep pellegrini, bijzonder uitgeslapen; tóen trof ik ze beiden tijdens hun siësta. De eetzaal is nog even groot en onontgonnen als toen en het eten is zoals ik dacht dat het zou zijn: copieus en met liefde verzorgd. Het dorp bruist van het leven, overal gaan winkels open voor de middag, er rijden kleine camionnetjes en er zijn opvallend veel jongeren op straat. 's Avond na het eten kijk ik uit van het terras voor de Albergo over het land: de volle maan gaat onder in een dun sliertje wolk, er branden lichtjes in het dal. Ik herinner me de afdaling die we morgen zullen nemen naar Ponte a Rigo. Van nu af aan zal deze reis een sentimental journey zijn.
Vrijdag 28 mei 2010 De afdaling naar de via Cassia is lang. Ik heb hier in de hele vroege ochtend gelopen, twee jaar geleden. Zonder koffie en zonder broodje, want alles sliep nog toen ik vertrok. Onderweg kwam ik geen enkele bar tegen die open was. Uiteindelijk heb ik niet eerder dan in Aquapendente een grote sandwich kunnen genieten op het plein. Vandaag heb ik mijn rugzak vol met yoghurt, bananen, tomaten, een worst en een stukje pizza. In de verte in de nevels ligt het fort van Radicofani. Bij het begin van de Cassia is er een bar. Zou ik die indertijd over het hoofd hebben gezien? We rusten even uit met koffie. Ik koop nog een tramezzino met ham, tomaten en mozzarella. De route langs de Cassia is aller-akeligst, maar de Francigena kiest herhaaldelijk kleine karrenpaden aan weerzijden van de grote weg; dat lucht op, want ook hier rijden de motoren met een snelheid van naar ik schat 200 km. per uur en halen vrachtwagens bij voorkeur in waar de weg een bocht maakt. We lunchen een klein stukje van de weg af, te laat naar de zin van enkelen. De gevaren van de wandeling langs de grote weg hebben ons vermoeid en geërgerd. Het is licht gaan regenen- we laten de regenkleding vooralsnog in de rugzakken. Na zes uur lopen bereiken we Aquapendente. Albergo Aquila d'Oro ligt bij de ingang van het dorp aan de grote weg. Binnen in de kamers raast het lawaai van de auto's en vrachtwagens. Ik zet niettemin de ramen open en kijk uit over het dorp: het staat er bij als een oude bekende. In de middag wandel ik naar het plein, voor een glas op het terras en een boodschapje: ik koop een adapter om mijn laptop te kunnen aansluiten op het Italiaanse lichtnet. Bij een kapper in het straatje achter het centrale plein hangt een afgekloven bot met daaronder de tekst: Ce n'è per tutti! Rosicate. : Er is genoeg voor iedereen! Knaag maar." Een tekst van een aanhanger van Inter Milan, na het behalen van de Europacup daar opgehangen. Na het eten ontstaat er een opgewonden stemming: Yvonne verjaart morgen, zij wordt vijftig. Er moet een Sara worden gemaakt. Een kapstok uit de eetzaal wordt behangen met oude kleren en klaargezet voor morgen bij het ontbijt. Buiten klinkt harde muziek uit een donkere auto: ik vraag me af wat daar gebeurt, maar blijf toch maar staan op het bordes.
Zaterdag 29 mei 2010 Op het plein bij de Bar Roma wachten we op de groep. Half negen. Alleen Will is iets later, omdat hij nog even een brood moest halen bij een bakker waar hij achterin de rij bleek te staan. Twee jaar geleden liep ik moeizaam de etappe van Aquapendente naar Bolsena. Nu opnieuw, maar minder moeizaam. Een schitterende tocht. Tot aan San Lorenzo door weilanden met heuvels in de verte, verderop links van de via Cassia hoog aan de flanken van het meer van Bolsena met grootse uitzichten over velden met rode en gele en witte bloemen (klaprozen, klaver, paardenbloemen, margrieten, peultjes), verderop uitgestrekte olijfgaarden. Achter dat alles is voortdurend het meer, stil en zwijgend, geen bootje op het water: nog geen seizoen. Het gaat me makkelijk af en ik heb energie over om grapjes te maken, soms een kleine demarrage te plaatsen als ik iets achtergeraakt ben. Ik voel me sterk (beetje keelpijn, dat wel, maar geen pijn in voeten). Maar er mist iets, en ik weet wel wat het is, want ik bedacht het gisteravond terwijl ik moeizaam in slaap viel: het machtige avontuur is er niet, dat is een tweede keer niet te hervinden. Deze wandeling is iets compleet anders, niet te vergelijken met de alomvattende ervaring van mijn grote voettocht. Vandaag weet ik exact wat er komen gaat. We dalen af naar het meer. Ik loop vrijwel zonder enige aarzeling naar het hotel (hetzelfde als toen, aan de via Cramsci). Voor de zekerheid vraag ik, na een spectaculaire afdaling in het dorp aangekomen, de weg. Ze wijzen me een andere kant dan ik had gedacht. Later in de middag blijkt dat mijn gevoel beter was dan de weg die me gewezen wordt. Ik wandel van Siena naar Rome, als begeleider van een pleziertocht. Ik ben geen pelgrim en het is de vraag of ik dat nog wel een keer zal zijn.
Zondag 30 mei 2010 Er zijn in de groep drie mannen uit het zuiden met een katholiek verleden. Ze vertellen over hun jeugd, van jongs af aan ingezet als misdienaar, iedere dag om zes uur aanwezig in de kerk om de mis van zeven uur te dienen. Op het schoolrapport werd het aantal uren kerkbezoek nauwkeurig genoteerd. Kwam je niet voldoende, dan ging je niet over. Maar het was onvoorstelbaar dat je niet naar de mis zou gaan. En ze verzekeren da ze er niks aan over gehouden hebben. 's Avonds bied ik een van hen een glas wijn aan. "Liever wijn dan den heilige olie," zegt hij (want dan is het afgelopen). Ze lijken inderdaad niet echt geknakt door hun katholieke jeugd. En van meneer pastoor hebben ze nooit last gehad. In Bolsena hebben we overnacht in hotel Nazionale, waar ik twee jaar geleden ook al was. Na het ontbijt vraagt de jonge man die ons heeft bediend of alles goed was. Ik bevestig het en bedank hem. Maar nee, wij worden bedankt. Dan vertel ik dat ik hier al eerder was toen ik naar Rome liep. "Ik dacht wel dat ik je herkende," liegt hij. Zijn vrouw vraagt of k uit religieuze bezieling die tocht heb gemaakt. Ze complimenteren me met mijn Italiaans- ik voel me weer heel even zoals tijdens mijn voettocht. Alles is dicht op zondag. Pas vanaf de maand juni blijven de winkels op de zondagochtend open. We lopen in ganzenpas langs de Cassia, drie kilometer tot een afslag waar de Francigena het land in gaat. Opnieuw een ruige tocht, dit keer ook door een bos, waar ik me helemaal niets van kan herinneren, tot mijn stomme verbazing. Misschien heb ik in mijn herinnering wel verschillende boswandelingen tot één enkele samengevoegd. 't Is en zeer korte tocht, al in 3½ uur zijn we in Montefiascone; ik herinner me van de vorige keer dat ik al voor half elf in mijn hotel was. Een oude mevrouw aan wie ik vroeg of ze een kamer voor me had, dacht dat ik niet kwam inschrijven, maar dat ik de sleutel wilde inleveren om te vertrekken, zo vroeg was ik. 's Avonds aan de maaltijd gaat het gesprek over blaren en allerlei ander fysiek ongemak. Elisabeth meent dat er vandaag te weinig pauze is geweest.
Maandag 31 mei 2010 De tocht van Montefiascone naar Viterbo is niet al te lang, en er zit weinig stijging in; niettemin ben ik moe als we aankomen, tegen half twee in de middag. Misschien is het 't weer, dat wat drukkend is, maar er speelt ook een spiertje op in mijn linker dijbeen en ik voel een lichte keelpijn opkomen. Wat mij betreft had het wel iets sneller gemogen: ik hou niet van al te veel pauzes onderweg, maar dat is de tol die je moet betalen als je met een groep op stap bent. Het eerste deel van de wandeling is heel aardig, ongeveer op de helft wordt het wat saai. Dat zijn, denk ik, de uitlopers van de stad die we naderen. Tegen het eind van de etappe, vlak voor Viterbo, lunchen we buiten de muren van een enorm kerkhof. We besluiten om maar niet binnen te eten, uit respect voor de doden. Als ik nog een keer kijk of iedereen er is, mis ik Elisabeth, die blijkt binnen tussen de graven te zitten eten; daar had ze zich namelijk op ingesteld. We lopen de stad binnen langs exact dezelfde weg die ik twee jaar geleden liep, de laatste maandag voor mijn aankomst in Rome. Ik herken de kruispunten en rotondes. Door de poort komen we op een plein waar ik een internetpunt weet: het is er nog. Daar moet dan ook het hotel zijn, en dat klopt. Het gemak waarmee ik de weg vind, maakt me vrolijk. Albergo Roma is een beetje een achenebbisj gebeuren. Een zenuwachtige mevrouw achter de bar wijst ons de kamers. Ze tutoyeert zonder aarzeling, vraagt mijn naam, gaat ons voor en vertrekt direct, voor het eten mag ik aannemen.
Dinsdag 1 juni 2010 Vanavond aan de maaltijd zit er een Belgische pelgrim uit de buurt van Namen aan onze tafel. Dat komt, we zitten namelijk in een nonnenklooster in het dorpje Fontevivola, een kilometer of 4 ten noordoosten van Sutri. De nonnen hebben ons allerliefst, met alle christelijke naastenliefde die bij hun roeping past, ontvangen. De pelgrim is in 45 dagen 1700 kilometer komen lopen tot hier. Veel langs de weg. Als het moet, vertelt hij, loop hij morgen in één keer door naar Rome, 60 km langs de Francigena, of 50 langs de weg. Morgen is het namelijk moeilijk om een verblijf te vinden, want op 2 juni vieren de Italianen de stichtingsdag van de Republiek. Volgend jaar zal hij naar Jeruzalem lopen. Ik voel een zekere afgunst. Het virus zit nog altijd in mijn bloed. De aankomst in Sutri was vertrouwd; we kwamen binnen via de noordelijke poort en liepen dwars door het dorp waar ze bezig waren met het versieren van de straten met bloemmotieven ter ere van het feest van zondag a.s. 't Was me al eerder opgevallen dat Italianen dol zijn op feesten waarop ze alles kunnen stilleggen, behalve de bar en het restaurant. Ik herkende het café binnen de muren en het pleintje met fontein. Links tegen de zuidelijke poort aan was vorige keer mijn hotel. Nu moesten we nog een eind door. De wandeling náár Sutri, langs het Lago di Vico herinnerde ik me goed, de weg tussen de hoge bomen; de lange afdaling en de passage van het dorpje Ronciglione. Maar het eerste deel van de wandeling was indertijd geheel anders: ik verdwaalde toen in een bos, en stak een aanzienlijk deel van de grote weg af. Nu lopen we langs de autoweg, om het ziekenhuis van Viterbo heen, totaan San Martino di Cimino, een onaangename weg. Twee jaar geleden heb ik gepauzeerd aan het meer bij een zeer rustiek terrasje uitsluitend door Italianen bezocht. Ik kan die plek aanvankelijk niet vinden; we kiezen een ander strandje, ook leuk. Bij het weggaan meen ik heel even de pijn terug te voelen die mij aan het eind van mijn grote wandeling twee weken lang gegijzeld hield. Ik trek mijn schoenen iets beter aan en de pijn is weg. Kort na het strandje herken ik het terras van de vorige keer. En dan 's avonds in het klooster. Een onverwachte religieuze ervaring: overal Mariabeeldjes en crucifixen, een mooie tuin en een heerlijke zon in de avond. Het eten is liefdevol verzorgd: een schotel aardappeltjes in plakjes uit de over, een stukje kip, een glaasje wijn en zelfgemaakt ijs toe. Na het eten vraagt René om nog een glas. Een van de nonnen weigert het beslist maar uiterst vriendelijk: u bent een radicaal, zegt ze. We moeten drinken met mate; het ziekenhuis is hier ver vandaan, als u ziek wordt dan is er niemand die u er naartoe brengt. René krijgt zijn wijn niet.
Woensdag 2 juni 2010 Ik ontwaak, kijk uit het raam van mijn kloostercel en zie niks dan mist. Dat moet toch één keer gebeuren tijdens een wandeltocht. Een van de nonnen brengt ons in een fiatbusje met hoge snelheid over de provinciale weg naar het parkeerterrein aan de rand van Sutri. Het dorp is van een simpele pracht. We verlaten het stadje via de Cassia en steken na korte tijd het land in over een woeste zandweg. De mist is verdwenen en de zon breekt aarzelend door. In het stadje Montersosi zitten de dorpsbewoners gekleed en gekapt voor het feest op een terras. Een Fellini-achtige oudere mevrouw rookt een keurige sigaret uit een pijpje. We vervolgen de route over de vluchtstrook achter een betonnen vangrail langs de snelweg. Na enkele kilometers begint het te regenen. In een gehucht iets verderop gebruiken we onze lunch bij een vriendelijke familie in hun garage. Na ons vertrek breken alle wolken van Lazio over ons hoofd. Het dondert en bliksemt. De weg gaat door, wij buigen af en nadere Campagnano di Roma over een gravelpad waar het water in een gulle modderstroom naar beneden loopt. Hotel Benigni is nog net zo gesloten als twee jaar geleden. Het hok waar ik toen sliep, is er nog steeds, en de opslag van matrassen ernaast eveneens.
Donderdag 3 juni 2010 Twee jaar geleden liep ik van Campagnano di Roma naar La Storta. Het was een gedenkwaardige etappe. Ik miste de allereerste afslag naar links; dat heeft misschien iets te maken gehad met het feit dat in mijn Francigena-gids de laatste drie etappes waren weggevallen als gevolg van een misdruk. Waar die hadden moeten staan, was nog een keer de inleiding afgedrukt. Als gevolg van dat falen kwam ik na enkele kilometers, en na een valse pijl, in een bos terecht waar ik werd opgewacht door drie loslopende honden. Ik keerde als een haas op mijn schreden terug en vervolgde de weg langs de via Cassia, een nare razende weg, tot het dorp Formello, ook al zo'n plaats waar een mens niet dood gevonden wil worden. Vandaag naderen we Formello na een prachtig pad door een bos en over heuvels. Bijzonder steil op sommige stukken en warm. Het weer is wat broeierig, maar het blijft droog. We drinken koffie in een bar langs de weg die zich door het dorpje wringt: die drukte herinner ik me goed van vorige keer. Na Formello lopen we in ganzenpas een kilometer of zeven langs de via Cassia, over de weg met langsrazende auto's,. Na de kruising van twee wegen bereiken we een afslag van de Francigena die ons het land in voert. Hier ben ik twee jaar geleden afgeslagen en daarna volkomen verdwaald. Dit keer weet ik wat er komen gaat. Het blijft droog en we durven de weg door het bos, waar het nog niet glibberig is van regen, wel aan. De afslag, die ik me zo goed meen te herinneren, blijkt in werkelijkheid net iets anders. Het eerste deel, een asfaltweg langs wat buitenhuizen, heb ik gewist. Mijn herinnering begint pas wanneer het asfalt overgaat in een gravelpad. De weg is minder onherbergzaam dan ik heb onthouden. Het is aangenaam lopen over heuvels en nauwelijks door bos. De signalen van de Francigena zijn goed waarneembaar en moeilijk te missen, en de oversteek over het riviertje is niet al te ingewikkeld. De eerste van de groep loopt in tempo en zonder aarzeling over de grote stenen die in het water liggen. Adri glijdt uit over de eerste steen; ik probeer hem omhoog te trekken, maar ik glijd weg achter hem. We liggen samen een beetje lullig achterover. Hotel Cassia, waar we tegen vier uur aankomen, is nog net als het was, vriendelijke mensen, behoorlijke kamers en een restaurant op een kilometer afstand. Direct na onze aankomt breekt er een razende onweersbui los. We kunnen het hotel niet meer verlaten. Ik kom niet verder dan de minibar. In de avond staan er geen sterren boven de zuidelijke hemel, zoals twee jaar geleden.
Vrijdag 4 juni 2010 Op 8 augustus 2010 bereikte ik Rome na 14 dagen lopen. ´s Ochtends aan het ontbijt probeer ik het verslag van die laatste etappe voor te lezen; het lukt me niet. Yvonne neemt het over. Ik raak verschrikkelijk geëmotioneerd en mijn handen en schouders trillen. De laatste etappe vandaag is precies als toen, maar de ontroering ontbreekt: ik weet precies wat er komen gaat. 't Is wel een mooie wandeling, de via Cassia, ná piazza dei giocchi delfici, geeft ons een schitterend uitzicht op de koepel van de Sint Pieter en het Vittoriano, en het is een mooi moment als we door de poort komen. Er wordt een groepsfoto gemaakt en er wordt gezoend. Rome is er nog, de via Ripetta, de ponte Cavour, Castel Sant'Angelo en het Pieterplein. Bij het statione S. Pietro ligt het hotel. 's Avonds na het eten geef Ellen een overzicht van de terugreis, morgen: acht uur ontbijten dan met koffers naar het busstation voor de 64 naar Termini, trein naar Fiumicino, etc. René vraagt, wie zijn koffer zal dragen. Er is een lichte aarzeling. Hij gaat verder: Dit was een verzorgde reis, en hij gaat er niet mee akkoord dat hij zelf moet sjouwen naar het vliegtuig, want daar heeft hij niet voor geboekt. "Dan dien ik een klacht in," zegt hij, en hij verzekert: "Dat doe ik echt hoor." Ik zeg: "Hoe het nu voor je en zeg het tegen SNP." Hij verzekert me dat hij dat zeker zal doen. De reis is voorbij, we lopen na het eten nog even langs het Pieterplein om de verlichte koepel te zien. Ik boek een tweede nacht in het hotel voor mijzelf. Morgen komt Ineke. |