| De Grebbelinie: een overzicht |
|
Op 14 mei heb ik mijn boek gepresenteerd bij gelegenheid van het Grebbeliniefestival. Ik heb daarbij de volgende toespraak gehouden: Wie met een ongeoefend oog naar de geschiedenis kijkt, ziet doorgaans niet heel veel, net zomin als de argeloze wandelaar die 's nachts opkijkt naar de sterren: er is zoveel dat het moeilijk is om onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken. Pas door geduldig steeds weer te kijken leert de ongeoefende sterrenkijker zijn weg kennen in de overweldigende veelheid van lichten en lichtjes, vlekken en vegen. En hoe langer je kijkt, bovendien, hoe meer je ziet. U zult mij deze enigszins zwaarwichtige inleidende metafoor, hoop ik, wel willen vergeven. Ik wil iets heel eenvoudigs beweren, en wel het volgende: Wie aan de Grebbelinie denkt, denkt vrijwel automatisch aan die drie dagen in mei, zeventig jaar geleden, die denkt, anders gezegd, aan de Grebbeberg, waar gevochten werd tot het niet meer ging en waar de Duitsers pas na zware strijd en ten koste van veel doden en gewonden, konden doorbreken. Maar die gebeurtenissen vormen slechts een klein, zij het belangwekkend, aspect van de geschiedenis van die linie. Bij nadere beschouwing blijkt er over de linie als geheel heel veel meer te vertellen dan alleen de strijd om de berg. De Grebbelinie dateert in eerste aanleg van de jaren 1740 (met het werk werd begonnen in 1744) en diende om de vesting Holland, inclusief de steden Utrecht en Amersfoort, te beschermen tegen een aanval vanuit het oosten; dat hield overigens niet in dat men vreesde voor een aanval door Pruissische of Oostenrijkse troepen, nee een aanval op het grondgebied van de Republiek der Nederlanden geschiedde altijd vanuit het openliggende oosten, niet verdedigd door zee of grote rivieren. De vallei tussen de Veluwe en de Utrechtse heuvelrug was een moerassig gebied tussen de Neder-Rijn bij Rhenen en de Zuiderzee, bij de monding van de Eem. Al ten minste twee eeuwen daarvóór hadden de ingezetenen van het welvarende westen hun erfvijand het water in tijden van oorlog ingezet als een machtige bondgenoot tegen naijverige buren. Als zij het voor elkaar konden krijgen om het water op het land te brengen en het daar ook te houden, dan konden zij een vijand voor lange tijd buiten de deur houden. Zo hadden zij het gedaan tegen de Spanjaarden in de tweede helft van de zestiende eeuw, en zo ook was het hun gelukt om de ongelijke strijd tegen de Fransen in de jaren 1672-1674, toen de regering radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos was, om te buigen tot een onverwachte overwinning. De Grebbelinie moest een aaneengeschakeld systeem worden van inundatiekommen en vestingwerken, waarvan het Fort aan de Buursteeg er één was. Een keer is de linie in gebruik gesteld, dat was in 1794 tegen een dreigende aanval door Franse revolutionaire troepen. Van daadwerkelijke gevechten is het toen niet gekomen, omdat het inundatiegebied in de ijselijke winter van 1794-'95 bevroor en de Franse legers eenvoudig over het stijve ijs konden optrekken. De verdedigers sloegen op de vlucht en een bezetting van negentien jaren volgde. Later is de linie nog één keer opnieuw in gebruik gesteld, dat was in de winter van 1939-'40. Ook toen was de winter ongewoon streng en ook toen bevroor het inundatiegebied tussen Veenendaal en het Eemmeer - het zuidelijk deel van de linie, overigens, lag te hoog om zonder mechanische kunstmiddelen onder water te kunnen worden gezet. Duizenden gemobiliseerde soldaten, die eigenlijk hadden moeten worden getraind in hun eigenlijke taak, het verdedigen van het Nederlands grondgebied tegen een vijand die opnieuw vanuit het oosten zou naderen, hebben tussen december '39 en februari '40 ijs moeten hakken om het inundatiegebied open te houden. Zij werden in dat ondankbare werk bijgestaan o.a. door Spakenburger vissers die niet konden uitvaren en op die manier misschien nog een centje konden bijverdienen. In die winter van '39-'40 zijn grote delen van de vallei onder water gezet. Wat betekende dat voor de gewone mensen die langs de linie woonden en werkten en die opeens hun boerderij moesten verlaten? Dat is een van de vragen die mij heeft beziggehouden in mijn boek "Oorlog in je achtertuin." In het algemeen heb ik me daarin gericht op de verhalen van de gewone mensen; onschuldige voorbijgangers, heb ik ze genoemd, mensen die niets te maken hadden met internationale spanningen. Zij woonden en werkten al generaties in het gebied, een typisch stukje Nederland. Hardwerkende, vrome mensen waren het, boeren, vissers, kleine middenstanders, gehecht aan de bekende orde en bereid om met mate mee te gaan met de tijd die langzaam maar zeker toch wel al veranderde. Voor oorlog hadden ze geen belangstelling. Maar de oorlog had wel belangstelling voor hen, de oorlog kwam op 10 mei 1940. Honderdduizend bewoners van de vallei werden die dag op schepen geladen en in treinen gezet om te worden geëvacueerd naar het westen. Zij kwamen, na een exodus van ongekende omvang, terecht bij gastgezinnen in stadjes en dorpen op de grens tussen Utrecht en Zuid Holland. of in Noord Holland. In die voor hen vreemde omgeving werden ze in het algemeen bijzonder hartelijk en gastvrij ontvangen. Daar bereikte hun, vijf dagen na hun vertrek, dat is vandaag precies zeventig jaar geleden, het ontstellende bericht dat de koningin was gevlucht, dat Rotterdam gebombardeerd was en dat het Nederlandse leger had gecapituleerd. Daarop begon de terugkeer naar het soms compleet vernietigde gebied van hun ouders en grootouders. Er zijn nog altijd mensen in leven die het hebben meegemaakt. Een aantal van hen heb ik mogen spreken, en ik heb ze gevraagd om mij hun verhaal te vertellen. Op basis van die persoonlijke herinneringen heb ik een beeld kunnen reconstrueren van het leven langs de Grebbelinie vóór de grote omwenteling van zeventig jaar geleden en van de weken tussen 10 mei en begin juni 1940 waarin alles wat zeker had geleken opeens verkeerd was in onzekerheid en verwarring. Diegenen die nu nog in leven zijn, waren in mei 1940 nog maar kind of jong volwassen. Zij hebben de grote gebeurtenissen doorleefd zoals kinderen dat doen, vaak naïef, nieuwsgierig, soms als een avontuur. Velen hebben pas later begrepen wat het voor hun ouders moet hebben betekend. Maar na de mislukte slag om Arnhem, in september 1944, kwam de oorlog opnieuw naar het gebied toe. Opnieuw werden grote delen van het land onder water gezet, opnieuw werd de bevolking opgedragen huis en haard te verlaten, opnieuw werden huizen die in het schootsveld lagen vernietigd, en opnieuw werd het levensgevaarlijk om te wonen in het land langs de oude waterlinie. De getuigen waren in 1940 inmiddels iets ouder en hun herinneringen aan dat laatste jaar zijn dan ook vaak helderder en er is sprake van meer begrip voor de dreiging van de in het nauw gedreven en hongerige Duitsers. De geschiedenis van de mensen is getekend door de gebeurtenissen tussen augustus 1939, het begin van de mobilisatie, en mei 1945. Voor sommigen is de oorlog nooit opgehouden, zoals ik in mijn boek heb laten zien. Anderen, de meesten, gingen na de bevrijding zo goed en zo kwaad als het ging, verder met het leven, en dat was niet zo makkelijk. Over het directe verleden werd vele jaren niet of nauwelijks gesproken. Maar vandaag, 65 jaar na dato, willen velen wel vertellen. Hun verhalen zijn het waard om te worden opgetekend; en dat onderzoek zal doorgaan. De tekst op menig oorlogsmonument in het land luidt "Opdat wij niet vergeten." Een van de mensen die ik heb gesproken zei mij: "Maar we zijn het al vergeten." De geschiedschrijving verzet zich tegen de vergetelheid. Het zijn juist diegenen die de gebeurtenissen hebben meebeleefd die onze herinnering levend zullen houden, zolang als zij er nog zijn. Ik ben er trots op dat ik mijn bijdrage heb mogen leveren aan het helpen bewaren van de herinnering en het verdiepen van het begrip. |